Voortgang perikelen marinierskazerne te Doorn

13 dec 2011 | Lysbeth van Valkenburg

Persbericht, Factsheet en brief aan vaste tweede kamer comissie betreffende de Marinierskazerne te Doorn

Gelukkig hebben wij als VVD fractie het nodige kunnen bereiken bij onze lobby richting tweede kamer fractie.
Tijdens het congres van zaterdag jl hebben fractievoorzitter van Valkenburg en wethouder Homan zoveel mogelijk leden van de VVD fractie aangesproken over de gevoelens van de gemeente betreffende het voortbestaan van de Marinierskazerne in Doorn.  ( Uitzending gemist NOS journaal van 18.00 uur over het VVD congres, een levendig gesprek tussen Mark Rutte, van Valkenburg en Homan)
Tijdens het fractieoverleg van dinsdag is uiteindelijk door de VVD fractie de motie opgesteld die nu ten grondslag ligt aan de vervolgmogelijkheid om een onderzoek met ondersteuning van defensie uit te voeren.
Het is een klein stapje maar in ieder geval is er ook in onze eigen VVD fractie beweging gekomen.
Wij houden u op de hoogte van de ontwikkelingen op dit dossier.
Hierbij treft u het persbericht dat  het college heeft uitgezonden evenals het factsheet en de brief aan de tweede kamer.
 
VVD fractie

Persbericht                                                     30 november 2011
 
 
Tweede Kamer ondersteunt en luistert naar argumenten Utrechtse Heuvelrug:
Toch onderzoek naar marinierskazerne
 
De inspanningen van het college en de diverse raadsfracties van de gemeente Utrechtse Heuvelrug hebben er vooralsnog toe geleid dat de Marinierskazerne in Doorn nog in beeld blijft als een toekomstgerichte legeringsplaats voor het corps mariniers. Tijdens de behandeling van de begroting van defensie in de Tweede Kamer zijn vandaag een tweetal moties ingediend. Beide moties hebben tot doel om naast het onderzoek naar de investerings- en exploitatiekosten van verplaatsing naar Vlissingen een vergelijkbaar onderzoek te doen naar de kosten van een toekomstgerichte oplossing in Doorn. In de motie van de VVD en het CDA wordt de regering gevraagd om geen onomkeerbare stappen te nemen en het lokale bestuur de kans te geven om zo spoedig mogelijk met een gefundeerde onderbouwing te komen van hun initiatief, zodat dit mee kan worden genomen in de besluitvorming. De motie van D66 en PvdA gaat verder en vraagt de regering naast de werkgroep Marinierskazerne Zeeland ook een werkgroep in te stellen voor onderzoek naar lasten en baten van uitbreiding in Doorn.
In zijn antwoord gaf minister Hillen aan de motie van VVD/CDA sympathiek te vinden, maar de motie van D66/PvdA gaat hem te ver. Hij heeft een duidelijke voorkeur voor Zeeland en zoekt nu de financiële haalbaarheid uit. De verantwoordelijkheid om zelf een werkgroep in te stellen om het alternatief Doorn te onderzoeken, ziet hij niet zitten. Die verantwoordelijkheid legt hij liever neer bij de gemeente Utrechtse Heuvelrug. Op additionele vragen van D66 en PvdA zegt minister Hillen wel toe dat de gemeente in haar onderzoek gebruik kan maken van de expertise en beschikbare financiële gegevens binnen defensie en ondersteuning bij het vaststellen van lasten en baten.
Beide moties worden volgende week in de Tweede Kamer in stemming gebracht.
 
Burgemeester Frits Naafs en wethouder Roy Pamboer waren de afgelopen weken geregeld in Den Haag om de ontwikkelingen op de voet te volgen. Naafs: “Ik ben blij dat de Tweede Kamer de noodzaak van een additioneel onderzoek voor Doorn noodzakelijk acht om een gedegen afweging te kunnen maken. Het inspreken bij de vaste Kamercommissie voor defensie, de factsheet en brief aan de Tweede Kamerleden hebben er toegeleid dat onze argumenten goed voor het voetlicht zijn gekomen in Den Haag.”
Pamboer: "Inderdaad, maar jammer dat de minister het additionele onderzoek niet als zijn eigen verantwoordelijkheid ziet. Laten we hopen dat wij als gemeente voldoende en constructieve ondersteuning van defensie krijgen om tot een gelijkwaardig onderzoek en zeer gefundeerde onderbouwing te komen."

Factsheet

Van Braam Houckgeestkazerne (VBHKAZ)

marinierskazerne te Doorn

1. Aanleiding:

In een brief over het Herbeleggingsplan Vastgoed Defensie van 31 augustus aan de Tweede kamer maakt minister Hillen melding van een onderzoek naar een verplaatsing van de Van Braam Houckgeestkazerne (VBHKAZ) uit Doorn naar Zeeland.

Op 30 augustus, na een verspreking van een wethouder in Vlissingen en vragen van de Zeeuwse pers aan onze gemeente Utrechtse Heuvelrug, werden wij hierop geattendeerd en bleek dat in Zeeland hieromtrent al geruime tijd onderzoek gaande was. De eerste besprekingen hierover tussen minister Hillen en mevrouw Peijs, commissaris van de Koningin in Zeeland, dateren al van februari 2011.

In een brief aan minister Hillen d.d. 4 oktober, maakten wij hierover onze verbazing en ongenoegen kenbaar. De verbazing betreft het ontbreken van een gedegen argumentatie voor dit onderzoek, het ongenoegen betreft het feit dat wij als gemeente maar ook de heer Robbertsen, CdK van de provincie Utrecht, hierover niet geïnformeerd zijn noch in het onderzoek en de afweging betrokken worden.

Ook de heer Robbertsen spreekt zijn verbazing hierover uit in een brief aan minister Hillen.

Het vervolg bestaat uit een diversiteit aan gesprekken en schriftelijke reacties die wij in de begeleidende brief aan de Tweede Kamer en leden van de vaste commissie voor Defensie nader  hebben toegelicht en waar wij graag naar verwijzen. Kort samengevat bestaan die uit:

-        Rondetafelgesprek met vaste commissie voor Defensie waarin wij onze verbazing en ongenoegen nogmaals uiten en het advies meekrijgen een “factsheet” te maken.

-        Verzoek aan minister Hillen om deelname aan werkgroep Zeeland, dat wordt afgewezen

-        Gesprek met de heer Kwast, voorzitter werkgroep, wat leidt tot de toezegging van de minister dat de door ons geopperde toekomstgerichte oplossing voor de marinierskazerne in Doorn opnieuw bekeken en doorgerekend zou worden en dat de gemeente hierbij betrokken werd. Beide alternatieven zouden daarmee tegen elkaar afgewogen kunnen worden om tot een weloverwogen beslissing te komen.

-        Deze toezegging werd ook schriftelijk bevestigd in de beantwoording van de minister aan de Tweede Kamer over de vragen m.b.t. het herbeleggingsplan vastgoed Defensie van 17 november jl.

-        Ontkenning minister van eerdere toezeggingen tijdens beantwoording vragen in algemeen overleg met vast commissie voor Defensie op 22 november jl. De minister verwacht dat de gemeente wellicht met een alternatief zal komen maar dat er geen sprake is van een additioneel, gelijkwaardig en in samenwerking met de gemeente te plegen onderzoek en doorberekening van een toekomstgerichte oplossing voor de marinierskazerne in Doorn ( in combinatie met het onderbrengen van logische elementen elders), noch van een vergelijk tussen beide alternatieven om tot een juiste afweging te komen.

Onze verbijstering en ongenoegen over de beantwoording en het intrekken van eerdere toezeggingen is alleen maar gegroeid terwijl het de noodzaak van een factsheet alleen maar heeft versterkt.

In bijgevoegde factsheet, tonen wij aan dat de marinierskazerne in Doorn, in combinatie met het onderbrengen van enkele logische elementen elders, een toekomstgerichte oplossing biedt. Met name de financiële onderbouwing die wij, naar aanleiding van de toezeggingen van de minister om dat gezamenlijk te doen, hadden kunnen aanbrengen, blijft nu door het nieuwe standpunt van de minister helaas achterwege.

Wij betreuren dat ten zeerste. Een investering van deze omvang en in deze economisch moeilijke tijd eist een zorgvuldige afweging, waarbij alternatieven op zorgvuldige, gelijkwaardige en transparante wijze worden doorberekend en meegenomen in de uiteindelijke afweging. Ook een externe validatie op de gehanteerde berekeningsmethodiek en behaalde resultaten zou gezien de omvang en complexiteit geen overbodige luxe zijn.

2. Uitgangspunten:

Het is niet de essentie van deze factsheet om de functionele en financiële voordelen van beide locaties 1 op 1 met elkaar te vergelijken. Daarvoor zijn datering (oudbouw – nieuwbouw),  infrastructuur, historie en identiteit te verschillend van elkaar en is de daarvoor noodzakelijke detailinformatie niet altijd beschikbaar.  Deze factsheet heeft tot doel om aan te tonen dat beide locaties in staat zijn om een eigen toekomstgerichte oplossing te bieden. De Van Braam Houckgeestkazerne, “onze marinierskazerne in Doorn”, heeft ruimte voor de mariniers, nu en in de toekomst!

Indien sprake is van een delta tussen de noodzakelijke investeringen in Vlissingen t.o.v. de marinierskazerne in Doorn, dan zal die delta zeer beperkt moeten zijn om, binnen het kader van de noodzakelijke bezuinigingen bij Defensie, maatschappelijk, financieel en politiek acceptabel te zijn. Verdere uitgangspunten zijn:

- Bij een eventuele verplaatsing van de marinierskazerne naar de provincie Zeeland is ervan uitgegaan

  dat Vlissingen de voorkeurslocatie is. 

- Bij de toekomstgerichte oplossing voor de marinierskazerne in Doorn wordt gebruik gemaakt van

  bestaande plannen m.b.t. uitplaatsing van onderdelen, het opheffen opslaglocaties Maartensdijk, Elst

  en Rhenen en noodzakelijke investeringsbedragen die al in de begroting zijn aangegeven.

3. Ruimtelijk beslag en uitbreidingsmogelijkheden

3.1. Uitwerking bestaande plannen (2010)

Vanuit Defensie c.q. Korps Mariniers, staan m.b.t. een toekomstgerichte functie van de marinierskazerne in Doorn, de volgende bewegingen gepland:

- Mortiercie en het TegenLuchtdoelen peloton ( incl. kader/materieel) vanuit Doorn naar nader te

  bepalen locaties zijnde niet Doorn.

- Opslaglocaties Maartensdijk, Rhenen en Elst sluiten en opslag materieel naar de marinierskazerne

   in Doorn.

Opmerking:

Als gevolg van de ombuigingsoperatie Defensie is deze situatie niet meer actueel. Een deel van de Mortiercompagnie zal naar alle waarschijnlijkheid gestationeerd worden op het Harde als onderdeel van een nieuw te vormen Joint Vuursteun eenheid. Het Tegen Luchtdoelenpeloton (TL-pel) zal worden samengevoegd met gelijkluidende capaciteit van andere krijgsmachtdelen en een andere standplaats krijgen. Voor de Unit interventie Mariniers (UIM) is het voornemen om tot collocatie over te gaan met de Dienst Speciale Interventies. Een locatie hiervoor is nog niet bekend, evenmin als de termijn waarop een en ander invulling zou moeten krijgen.

Voornoemde intenties laten zich vertalen in ongeveer 200 fte’s die op termijn niet meer werkzaam zullen zijn in Doorn. 

Hierdoor zou in Doorn een compacte kazerne ontstaan voor circa 1800 man (was 2000) en zou het aantal boordplaatsers van circa 650 teruglopen naar circa 500. De hiervoor benodigde (vernieuwde) legering als ook de functionele en infrastructurele capaciteit passen binnen het nu beschikbare bouwoppervlak van circa 52.000 m2. Kortom, hiermee wordt ongeveer 10% van de bestaande capaciteit uitgeplaatst. De noodzakelijk investeringen voor de beoogde nieuwbouw op de marinierskazerne in Doorn, zijn voor een groot deel al in de defensiebegroting opgenomen.

3.2. Uitbreidingsmogelijkheden marinierskazerne Doorn

In 2011 heeft de gemeente Utrechtse Heuvelrug een nieuw bestemmingsplan (BP) Doorn buitengebied vastgesteld, waarmee de volgende uitbreidingsmogelijkheden voor de marinierskazerne definitief zijn:

- Het bouwvlakpercentage is verhoogd van 25% naar 30%.

- De marinierskazerne mag daarmee het bouwoppervlak uitbreiden van 39.997 m2 naar 52.130 m2.

- De sporthal mag uitbreiden van 3157 m2 naar 3631 m2, terwijl de goothoogte van 4 m. en de

   nokhoogte van 8 m. verhoogd mogen worden tot 10 m.

- Voor een groot gedeelte van het terrein is de bouwhoogte van 12 m. naar 14 m. verhoogd, zodat de

   plannen voor de 14 meter hoge parkeergarage nu geëffectueerd kunnen worden.

Deze aanpassingen in het bestemmingsplan zijn op verzoek van Defensie aangevraagd en door de gemeenteraad gehonoreerd.

Deze uitbreidingsmogelijkheden bieden voldoende ruimte voor de eerder genoemde toekomstplannen van Doorn als een marinierskazerne voor 1800 man, met een correcte legering van ruim 500 boordplaatsers en voldoende parkeergelegenheid.

Het eveneens onderbrengen van de huidige opslagcapaciteit op Maartensdijk naar Doorn lijkt mogelijk, maar verdient nader onderzoek. 

3.3. Toekomstgerichtheid

De hierboven genoemde plannen en uitbreidingsmogelijkheden met 20% bieden een toekomstgerichte oplossing voor de (middel)lange termijn. Mocht in de toekomst daarnaast toch nog aanvullende behoefte aan bouwoppervlak zijn, dan staan daar een aantal mogelijkheden, dat we aan de gemeenteraad kunnen voorstellen, tegenover:

- Aanpassing bestemmingsplan met en verdere uitbreiding van het bebouwingspercentage

- Uitbreiding kazerneterrein middels additionele grondverwerving

- Separate legering van boordplaatsers nabij de kazerne maar niet op terrein zelf.

De laatstgenoemde oplossing zou een appartementencomplex kunnen zijn die wellicht ook de behoefte van andere partners in de regio, militair zowel als civiel kan dekken. Met het begrip partners zou binnen onze gemeente gedacht kunnen worden aan het Militair Revalidatie Centrum en Korps Landelijke Politiediensten KLPD, maar ook Bartimeus (zorg) of European Fashion School (studenten). Hierbij zou het complex op beschikbare gronden van partners gebouwd kunnen worden, maar ook zou de exploitatie in een PPS-constructie kunnen plaatsvinden.

Tijdens het gesprek met de Tweede Kamercommissie van Defensie werd door de burgemeester van Vlissingen eveneens een PPS-constructie of een particulier initiatief genoemd als oplossing voor legering boordplaatsers. Dit was niet zozeer vanuit een additionele ruimtebehoefte, maar om het noodzakelijke investeringsbedrag van een nieuwe locatie te verlagen. Dat lijkt weinig zinvol omdat een dergelijke oplossing wel de investering verlaagt maar tegelijkertijd de exploitatiekosten onevenredig verhoogt. Op langere termijn is dit een exploitatierisico.

4. Locatiekeuze

4.1. Sociaal economische aspecten en draagvlak

In zijn motivatie voor Zeeland als locatie noemt de minister onder andere:

- Spreiding van de krijgsmacht zal draagvlak voor Defensie versterken.

- Marinierseenheden horen in de buurt van de kust en niet in midden van het land

- Aandacht voor sociaaleconomische belangen diverse regio’s.

De eerste twee argumenten zijn op zijn minst discutabel te noemen. Draagvlak vanuit de bevolking wordt niet verkregen door spreiding, maar door het optimaal benutten van beschikbare middelen en het voldoen aan bezuinigingstaakstellingen door onnodige investeringen te voorkomen.

Mariniers horen niet noodzakelijkerwijs bij de kust, het zijn zeesoldaten met een duidelijke taak op het land. De trainingsprogramma’s zijn dienovereenkomstig. De amfibische training gebeurt nu op Texel of in het buitenland, in de nabijheid van de grote amfibische schepen en met een eenvoudige toegang tot de open zee. De infanteristische training vergt het grootste deel van de opleidingstijd. Het feit dat de marinierskazerne in Doorn al meer dan 50 jaar een specifieke rol speelt in de legering van mariniers bevestigt dit.

Het argument m.b.t. de werkgelegenheid in regio’s werd door de commissaris van de Koningin van Zeeland, mevrouw Peijs, gesteund met een constatering dat inmiddels zo’n 18 rijksinstellingen Zeeland hadden verlaten en dat het nu wel eens tijd werd om weer iets terug te krijgen. Het verdient aanbeveling om te wijzen op een verkeerde interpretatie van het begrip: stimuleren regio’s. Het stimuleren betreft niet het verplaatsen van werkgelegenheid waardoor elders een zelfde behoefte gaat ontstaan, maar om stimuleringsmaatregelen die additionele werkgelegenheid scheppen. Recreatie en toerisme is daar een goed voorbeeld van voor Zeeland. Het vertrek van de genoemde rijksinstellingen zou eerder een vingerwijzing moeten zijn dat de decentrale locatie teveel nadelen en hogere exploitatielasten veroorzaakt. Het lijkt niet zo zinvol om daar nu de mariniers eenzelfde ervaring te laten ondergaan. Op zijn minst rechtvaardigt dit nader onderzoek waarom maar liefst 18 rijksinstellingen juist gekozen hebben Zeeland te verlaten.

4.2. Trainingsfaciliteiten

Gezien de specifieke eisen die aan het optreden van mariniers worden gesteld, spelen training en trainingsfaciliteiten een belangrijke rol in de bedrijfsvoering. In de bereikbaarheid van de oefenlocaties speelt uiteraard de locatie van de kazerne een grote rol. In een vergelijk tussen Doorn en een nieuwe locatie in Vlissingen, komen de volgende verschillen naar voren:

- De marinierskazerne in Doorn beschikt over oefengebieden direct aangrenzend aan of in de directe omgeving van de kazerne, waar de mariniers kunnen oefenen zonder dat transportsteun nodig is. Bovendien beschikt Doorn over de vereiste planflexibiliteit waardoor trainingsprogramma’s eenvoudig te wijzigen zijn zonder dat trainingstijd verloren gaat. Vlissingen heeft geen oefengebieden in de omgeving, de dichtstbijzijnde oefenterreinen liggen op 85 respectievelijk 135 km afstand. Hiervoor is niet alleen transportsteun nodig, ook gaat 2 x 2 uur trainingstijd verloren aan reistijd en daarnaast wordt flexibiliteit door aanvraag- en toewijzingsprocedures teniet gedaan.

- Schiettraining kan vanuit Doorn op het Infanterie Schietkamp Harskamp (ISKH) op 44 km afstand plaatsvinden. Vanuit Vlissingen zou dat in Ossendrecht (65 km) kunnen plaatsvinden, maar de afstand naar ISKH bedraagt nu 240 km. De nadelige effecten op reistijd, trainingsrendement, kosten en motivatie zijn evident.  Daarnaast biedt het ISKH als enige faciliteit in Nederland voldoende mogelijkheden om doelstellingen op het gebied van gevechtsschieten te realiseren. Bovendien impliceert dit dat waar normaliter met dagprogramma’s bepaalde trainingsschema’s kunnen worden uitgevoerd nu meer sprake zal zijn van meerdaagse oefeningen, wat resulteert in hogere kosten v.w.b. legering, voeding en toelagen.

- De training op amfibische vaardigheden in Den Helder geven weer een aanzienlijk verschil in afstand te zien tussen Doorn (140 km) en Vlissingen (290 km). Dit nadeel kan gecompenseerd worden door de training met landingsvaartuigen vanuit Vlissingen te laten uitvoeren.

- De specifieke OVG training in noord Groningen geeft ook een duidelijk verschil in afstand (220 versus 385 km) en reistijd aan (2 x 3 uur) die niet zoals bij het amfibisch oefenen gecompenseerd kan worden.

4.3. Consequenties decentrale ligging op kosten en trainingsrendement

Het niet beschikbaar hebben van aangrenzende oefenterreinen en de decentrale ligging van Vlissingen t.o.v. ander oefenlocaties heeft de navolgende risico’s:

- Kwaliteitsverlies: de extra reistijden leveren verlies aan trainingstijd op terwijl de inflexibiliteit bij plotselinge programmawijzigingen eveneens tot verlies van trainingsuren en demotivatie veroorzaakt. Dit gaat ten koste van de het realiseren van trainingsdoeleinden en dus kwaliteit.

- Extra kosten: De extra kosten worden met name veroorzaakt door de noodzakelijke en langere transportsteun (verplaatsingskosten), extra oefentoelage, terwijl de tijdrovende aanvraagprocedures, afstemming en logistiek naar verwachting ook tot inzet van extra fte’s zal leiden.

De financiële consequenties van deze nadelen zijn niet eenvoudig te kwantificeren. Het lijkt zeer aannemelijk dat er hier sprake is van een jaarlijkse extra kostenpost in de exploitatie van circa

€ 1,5 – 2  miljoen.

De keuze mariniers decentraal te legeren leidt onlosmakelijk tot hogere kosten in de exploitatie. In deze tijden van economische schaarste ligt een dergelijke keuze juist niet voor de hand!

5. Sociale aspecten en neveneffecten

Ten opzichte van de huidige locatie van de marinierskazerne in Doorn, heeft de decentrale ligging van Vlissingen en de ruime afstand tot de overige marinelocaties in Rotterdam en Den Helder nog een aantal sociale aspecten en neveneffecten.

5.1. Sociale aspecten

De marinierskazerne maakt al meer dan 50 jaar een wezenlijk onderdeel uit van Doorn c.q. de gemeente Utrechtse Heuvelrug

- De band tussen het Korps Mariniers en de bewoners van Doorn is van oudsher en hecht. Dat wordt in tal van aspecten zichtbaar gemaakt. Denk hierbij aan de participatie van de mariniers bij tal van manifestaties (Heuvelrug Totaal, Koninginnedag, etc.), het jaarlijks druk bezochte concert van de Marinierskapel, het frequent overleg tussen gemeente en mariniers op diverse niveaus, etc.

- Uit een recente enquête van het lokale weekblad De Kaap bleek dat 73% van de inwoners de kazerne en de daar gelegerde mariniers wil behouden. Uit contacten met de mariniers is ons gebleken dat deze verbondenheid wederzijds is en dat daarmee een zeer ruim publiek draagvlak voor de mariniers bestaat.

- De hierbovengenoemde emotionele band staat los van de enorme impact die een eventuele verplaatsing van de marinierskazerne zou hebben op economische aspecten als werkgelegenheid en (detail)handel.

5.2. Neveneffecten

Doordat de bestaande driehoek Den Helder – Doorn – Rotterdam met beperkte onderlinge afstand, nu zou worden uitgerekt met als grootste afstand Vlissingen – Den Helder (290 km), zijn er ook specifieke neveneffecten bij de mariniers zelf:

- De marinier wordt gedwongen een keuze te maken voor één van de locaties. Bij overplaatsing staat hij voor een enorme reistijd of alsnog boordplaatser worden. Dit heeft een enorme impact op de marinier en zijn gezin, waarvan de gezinsleden wellicht een lokale betrekking/baan hebben c.q. een sociaal leven hebben opgebouwd.

- Vele mariniers in Doorn hebben geen behoefte om te verhuizen naar Vlissingen. Dit is deels uit persoonlijke motieven maar heeft ook te maken met sociale motieven en een mogelijke verslechtering van het trainingsrendement. De vraag of men wel bereid is bij de marinierseenheden te willen blijven leeft met name in leeftijdsklasse van 35-45 jaar, waarbij dus sprake is van verlies van ervaren kaderleden en een verlies van geïnvesteerde training van 12 jaar of meer.

- Tenslotte wordt vanuit de mariniers de vrees uitgesproken dat de met een dergelijke spreiding aan standplaatsen de aantrekkelijkheid van het korps zal inboeten, waardoor de wervingskracht zal afnemen.

6. Financiële consequenties

Het is verre van eenvoudig om de kosten van een volledig nieuwe ontwikkeling in Vlissingen te vergelijken met de additionele investeringen voor een toekomstgerichte oplossing in Doorn.

Wij hebben ons daarbij zoveel mogelijk laten leiden door informatie en advies van “defensiespecialisten” uit Eerste en Tweede Kamer, defensiecommissies, bestaande contacten op diverse niveaus binnen het korps mariniers, commandant en staf VBHKAZ, collega’s B&W van Den Helder en Vlissingen en anderen. Daarnaast hebben we zoveel mogelijk gebruik gemaakt van bestaande plannen, beschikbare begrotingsbedragen en investeringsberekeningen/aannames bij eerder geopperde verplaatsingen (vergelijk Budel).

De hierin aangegeven investeringsbedragen zijn dan ook grove totaalbedragen zonder verdere detaillering, maar meestal vanuit meerdere contactpersonen op basis van praktijkervaring (in tegenstelling tot theoretische normbedragen) aangegeven. In beide gevallen (Vlissingen/Doorn) zouden deze ramingen naar boven of beneden bijgesteld kunnen worden. Echter, voor de doelstelling van deze factsheet is dat van minder belang omdat de argumentatie zich met name zal richten op de delta tussen de investeringen ten opzichte van de bezuinigingsdoelstellingen binnen Defensie.

6.1. Investeringen

Vlissingen

In een eerder stadium werd zowel vanuit Defensiekringen als de politiek voor de investeringsbedragen voor Vlissingen al een bedrag genoemd van circa € 250 miljoen. Inmiddels worden nieuwe bedragen genoemd die aanzienlijk lager liggen en zelfs richting  € 150 miljoen gaan. Deze aanzienlijke verlaging verontrust ons enigszins omdat er geen transparantie is in de doorberekening terwijl de voorkeur van de minister voor Zeeland ons genoegzaam bekend is. Wij vragen graag aandacht voor de volgende elementen die mogelijk tot deze verlaging hebben geleid:

-        Zijn de kosten van grondverwerving en bouwrijp maken wel meebegrepen. Vanuit de provincie Zeeland c.q. de gemeente Vlissingen zou dit gratis aangeboden worden, maar ook hier is sprake van een investering van gemeenschapsgelden.

-        Ten aanzien van de legeringskosten van boordplaatsers is niet geheel duidelijk of hierin een mogelijke PPS-constructie wordt voorgesteld waardoor de investeringskosten hiervoor zouden komen te vervallen ( zie ook 3.3), maar de exploitatiekosten aanzienlijk stijgen. Zeker omdat het aantal boordplaatsers in Vlissingen aanzienlijk zal toenemen.

-        Bij de doorrekening van kosten en investeringen zou gebruik gemaakt worden van normbedragen die vanuit de militaire organisatie op basis van praktijkervaring als absoluut niet actueel en ontoereikend voor een goede en duurzame oplossing worden beschouwd.

-        Er is een enige hoop dat Zeeland als krimpregio in aanmerking zou kunnen komen voor een Europese subsidie. Het zou onterecht zijn indien deze subsidiemogelijkheid in mindering wordt gebracht op de benodigde investering in Zeeland en zou een reële vergelijking van investeringsbehoeften met andere locaties bemoeilijken.

-        De opbrengst bij verkoop van het kazerneterrein in Doorn zou op circa € 20 miljoen worden geschat, wat ons in de context van de huidige bouwmarkt en economische waarde als relatief hoog doet voorkomen. De opbrengst is sterk afhankelijk van de bestemming die het gebied heeft of krijgt. Een ontwikkeling als bouwlocatie lijkt niet aannemelijk gezien de ligging en geen behoefte aan additionele woningbouw op deze locatie. Teruggaaf aan de natuur is een optie of een centralisatie van sportvoorzieningen voor Doorn en omstreken. In beide gevallen wordt de opbrengst hierdoor aanzienlijk beperkt. Verder dient ook rekening te worden gehouden met sloop- en reinigingswerkzaamheden.

.Kortom, om tot een inhoudelijk solide onderbouwde keuze (Vlissingen of Doorn) te komen is een integraal opgezet onderzoek vereist, waarbij beide locaties op basis van dezelfde criteria beschouwd worden, inclusief een door een onafhankelijke instantie uit te voeren validatie van het cijfermateriaal.

Marinierskazerne in Doorn

Bij de investeringsberekeningen voor een toekomstgerichte marinierskazerne in Doorn zijn we uitgegaan van een uitwerking van de bestaande plannen zoals aangegeven in 3.1.

Een deel van de hiervoor benodigde investeringen in Doorn zijn reeds in de begroting opgenomen en bedragen circa € 30 miljoen. Additionele investeringen m.b.t. vernieuwde legering en een parkeergarage zullen nodig zijn. Daarnaast zal de legering van de uit te plaatsen onderdelen, zoals aangegeven in 3.1, ook in Den Helder tot additionele investeringen leiden.

Voor een toekomstgerichte oplossing voor de marinierskazerne zullen de additionele investeringen in Doorn en Den Helder circa € 70 -90 miljoen bedragen.

De opbrengst van de opslaglocaties Maartensdijk en Elst wordt als vrij laag ingeschat ( € 1 – 2 miljoen)

En is in de berekening van de delta verder niet meegenomen.

Investeringsdelta

Uitgaande van bovengenoemde ramingen en met alle beperkingen zoals eerder aangegeven, zou de investeringsdelta tussen de investering voor een nieuw complex in Vlissingen en de toekomstgerichte oplossing voor Doorn uitkomen op: ruim € 150 miljoen!

Zelfs als we het eerder genoemde gebrek aan transparantie en onduidelijkheid over het al dan niet meenemen van alle investeringsbedragen vergeten en uitgaan van de nu genoemde verlaging tot         € 150 miljoen, is er nog steeds sprake van een onacceptabele investeringsdelta tussen Vlissingen en Doorn van € 60 – 80 miljoen.

6.2. Exploitatie

De exploitatielasten zijn eveneens niet eenvoudig te kwantificeren, temeer daar binnen het Rijk c.q. Defensie geen specifieke afschrijvingsmethodiek wordt gehanteerd. We kunnen de hogere investering in Vlissingen niet eenvoudigweg vertalen in hogere kapitaallasten noch kunnen we bij Doorn rekening houden met al afgeschreven termijnen.

- Bij nieuwbouw in Vlissingen zullen ongetwijfeld voordelen behaald kunnen worden in hogere

   duurzaamheid en lagere energie- en onderhoudskosten.

- Bij de marinierskazerne in Doorn is er sprake van een compacte oplossing met minder ruimtebeslag

   en lagere kapitaallasten. De verwachting is dat niet al teveel verschil zal zitten in de exploitatielasten

   voor Vlissingen of Doorn.

- Waar wel een verschil optreedt, is in de (training- en oefen)consequenties van de decentrale ligging

   van Vlissingen (zie 4.3). Dit zou leiden tot een extra exploitatiepost van circa € 1 – 2 miljoen per jaar.

7. Conclusie

Natuurlijk is de ontwikkeling van een compleet nieuw kazernecomplex op een nieuwe locatie aantrekkelijk om te overwegen. De infrastructuur, behuizing en faciliteiten kunnen volgens de laatste inzichten worden ingericht met veel aandacht voor duurzame oplossingen.

Echter de financiële delta tussen de benodigde investeringen in Vlissingen en Doorn bedraagt maar liefst ruim € 150 miljoen. Een enorm extra bedrag dat geenszins past in de huidige financieel-economische situatie van ons land met tal van pijnlijke bezuinigingsmaatregelen op alle ministeries en dat volledig haaks staat op de bezuinigingstaak binnen het ministerie van Defensie van € 1 miljard. 

Zelfs indien de investeringsdelta aanzienlijk kleiner zou blijken, zijn er onvoldoende steekhoudende argumenten te vinden voor deze extra investering:

-     De decentrale locatie in Vlissingen en het gebrek aan oefenterreinen in de nabijheid doen afbreuk aan de kwaliteit en het rendement van training, terwijl de jaarlijkse exploitatielasten hierdoor onnodig met € 1 – 2 miljoen toenemen.

-        De marinierskazerne in Doorn is wel degelijk in staat om, in combinatie met het al geplande onderbrengen van logische elementen naar elders , een toekomstgerichte oplossing te bieden. De specifieke, centrale ligging in Doorn en de relatief korte onderlinge afstand met Rotterdam en Den Helder hebben de afgelopen 50 jaar hun voordeel bewezen.

-        Om het verplaatsen van de marinierskazerne naar Vlissingen als een stimuleringsmaatregel voor de regio Zeeland te zien is een onjuiste interpretatie van stimulering, omdat het hier geen additionele creatie van werkgelegenheid betreft maar een verplaatsing zodat het probleem nu elders ontstaat. Het eerdere vertrek van diverse rijksdiensten uit Zeeland mag als een vingerwijzing gezien worden dat de decentrale ligging tot aanvullende problemen en kosten in de bedrijfsvoering leiden, waar we het Korps mariniers voor willen behoeden. Nader onderzoek is vereist.

-        De diverse sociale aspecten en andere neveneffecten die bij een eventuele verhuizing Doorn naar Vlissingen naar voren komen, kunnen leiden tot het vroegtijdig vertrek van kaderleden en een negatieve invloed op de wervingskracht.

Kortom, de investeringsdelta is van een zodanige omvang dat een verplaatsing van de marinierskazerne naar Vlissingen als ongewenst beschouwd moet worden en volstrekt niet uit te leggen valt aan onze bevolking. Ook voor een veel lagere investeringsdelta zijn onvoldoende steekhoudende argumenten voor handen.

De marinierskazerne in Doorn heeft met de uitplaatsing van personeel op termijn van 10 % en de genoemde uitbreidingsmogelijkheden voldoende ruimte voor de mariniers.

8. Advies

Op basis van gelijkluidende criteria een gelijkwaardig onderzoek en doorberekening uitvoeren voor beide oplossingen,Vlissingen en Doorn, en de gemeente Utrechtse Heuvelrug hierbij te betrekken.

Gezien de complexiteit en noodzaak tot transparantie zou het beschikbaar cijfermateriaal door een onafhankelijke instantie gevalideerd kunnen worden.

Op basis daarvan zou een weloverwogen afweging tussen de twee alternatieven kunnen plaatsvinden.

25 november 2011,

Brief aan de vaste tweede kamer comissie.

Gemeente Utrechtse Heuvelrug

Aan:                Leden vaste Tweede Kamercommissie voor Defensie

C.c. :               Leden van de Tweede Kamer

Van:                Gemeente Utrechtse Heuvelrug, burgemeester G.F. Naafs

Betreft:                        Reactie naar aanleiding van de beantwoording vragen over verplaatsing van de marinierskazerne in Doorn naar Zeeland van leden van de vaste Tweede Kamercommissie voor Defensie, tijdens algemeen overleg d.d. 22 november jl.

Datum:                       25 november 2011

Geachte leden,

Wij, het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Urtrechtse Heuvelrug, willen u laten weten boos en verbijsterd te zijn over de gang van zaken rond de mogelijke verplaatsing van de Van Braam Houckgeestkazerne in Doorn naar Zeeland. 

De identiteit van onze gemeente is naast de prachtige natuur en de rijkdom aan cultureel erfgoed ook gevormd door warme relaties met toonaangevende instituten voor vrede en veiligheid zoals de marinierskazerne Van Braam Houckgeest, het Militair Revalidatie Centrum in Doorn en het Korps Landelijke Politiediensten in Driebergen. Er zijn intensieve contacten tussen inwoners en deze organisaties. Toen minister Hillen op 31 augustus in een brief aan de Tweede Kamer over het Herbeleggingsplan Vastgoed Defensie, plotseling bekend maakte dat er een onderzoek zou plaatsvinden naar een mogelijke verplaatsing van onze marinierskazerne in Doorn naar Zeeland, was de algemene reactie van onze inwoners er een van ontzetting en ongeloof. Er zijn toch voldoende uitbreidingsmogelijkheden in Doorn? Waarom wil de minister persé naar Zeeland?

Een reconstructie van wat volgde

In een brief aan de minister van 4 oktober  hebben wij onze verbazing en ongenoegen hierover kenbaar gemaakt. Verbazing over het ontbreken van een gedegen argumentatie gebaseerd op gelijkwaardig onderzoek naar en doorberekening van alle opties en alternatieven Hierdoor kan geen correcte en transparante afweging gemaakt worden. Ongenoegen over het schimmige proces dat gevoerd is, waarbij zowel onze gemeente als ook onze Commissaris van de Koningin de heer Robbertsen, niet geïnformeerd of betrokken zijn in het onderzoek en de doorberekening van de diverse mogelijkheden.

Op uitnodiging van de vaste Tweede Kamercommissie van Defensie hebben wij op 10 oktober tijdens een rondetafelgesprek opnieuw onze verbazing en ongenoegen aangeven. Op dat moment blijkt dat ook burgemeester Schuiling van Den Helder niet geïnformeerd is. En dat terwijl er al langere tijd aan een plan gewerkt wordt om de de druk op de marinierskazerne in Doorn te verminderen door elementen van het Korps mariniers naar Den Helder over te brengen en de belegging op de marinierskazerne in Doorn te herstructureren. Een uitstekend alternatief voor Zeeland met naar het zich laat aanzien veel lagere investeringsbehoefte.

De commissie geeft ons twee adviezen mee:

-        Vraag de minister om als betrokken gemeente deel te mogen nemen aan de werkgroep die de mogelijkheden onderzoekt van verplaatsing van de marinierskazerne naar Zeeland

-        Start eigen onderzoek om tot een “factsheet” te komen waarin de consequenties van een verplaatsing naar Zeeland worden vergeleken met het behoud van de marinierskazerne in Doorn op basis van een alternatieve en tevens toekomstgerichte oplossing.

Het verzoek om deelname aan de werkgroep werd op 27 oktober jl. door minister Hillen afgewezen.

Wel kregen wij een gesprek met de heer E. Kwast, plv. directeur Ruimte, Milieu en Vastgoedbeleid en voorzitter van de werkgroep. Het gesprek heeft uiteindelijk geleid tot een toezegging van de minister dat de toekomstgerichte oplossing voor de marinierskazerne in Doorn opnieuw bekeken en doorgerekend zou worden en dat de gemeente hierbij betrokken werd. Beide alternatieven zouden daarmee tegen elkaar afgewogen kunnen worden om tot een weloverwogen beslissing te komen. Deze toezegging werd ook schriftelijk bevestigd in de beantwoording van de minister aan de Tweede Kamer over de vragen rond het herbeleggingsplan vastgoed Defensie van 17 november. Met deze toezegging was een enorme stap vooruit gezet. Er was nu sprake van een gelijkwaardig onderzoek en een transparante afweging tussen de alternatieven.

Maar toen…

Bij het algemeen overleg van de van de vaste Tweede Kamercommissie voor Defensie met de minister op 22 november, waren wij aanwezig om te luisteren naar de beantwoording van commissievragen door minister Hillen.

Met verbijstering hebben wij moeten constateren dat, bij vragen over de voorkeur van de minister voor de verplaatsing van de marinierskazerne naar Zeeland en het ontbreken van een gelijkwaardig onderzoek naar alternatieve oplossingen, de beantwoording onzorgvuldig en onjuist bleek te zijn. De gemaakte afspraken met onze gemeente werden met voeten getreden.

De minister geeft aan dat hij persoonlijk en met overtuiging gekozen heeft voor Zeeland. Zijn voorkeur is van dien aard dat het onderzoek zich met name richt op de casus Zeeland en de zakelijke onderbouwing hiervan. In eerste instantie geeft hij aan dat Doorn zich inmiddels gemeld heeft en dit gegeven wil meenemen, maar op de specifieke vraag of hier sprake is van een vergelijkend onderzoek ter afweging en of nog meer locaties onderzocht zullen worden, blijft hij vaag en tegenstrijdig in zijn beantwoording.

In een laatste poging stelt D66 de vraag of Doorn (in combinatie het onderbrengen van elementen elders) als alternatief wordt meegenomen in een gelijkwaardig onderzoek en doorberekening om zodoende over vergelijkbare cijfers te beschikken die noodzakelijk zijn bij de afweging om tot een “beste locatie voor de beste prijs”te komen. De minister verwacht dat de gemeente wellicht met een alternatief zal komen maar dat er geen sprake is van een additioneel, gelijkwaardig en in samenwerking met de gemeente te plegen onderzoek en doorberekening van de oplossing in Doorn, noch van een vergelijk tussen beide alternatieven om tot een juiste afweging te komen.

Als vervolgens de minister erop wordt gewezen dat hij in zijn schriftelijke beantwoording die toezegging nu juist wél heeft gedaan:

 “Daarom worden nu twee alternatieven onderzocht. Het eerste is de vermindering van de druk op de kazerne door elementen van het Korps mariniers naar Den Helder over te brengen en de belegging op de Van Braam Houckgeestkazerne te herstructureren . Het tweede alternatief betreft het onderzoek samen met Zeeland. Die alternatieven worden tegen elkaar afgewogen.”

Dan antwoordt de minister dat dit niet zijn bedoeling is en dat de schriftelijke beantwoording dus fout is.!! Bovendien wordt nu de verantwoordelijkheid voor een alternatieve oplossing geheel bij de gemeente neergelegd en wordt het pad van een gelijkwaardig onderzoek en gezamenlijke doorrekening volledig verlaten.

Onze verbijstering over de beantwoording en het intrekken van eerdere toezeggingen werd na afloop van de commissievergadering door meerdere fracties gedeeld.

In bijgevoegde factsheet, tonen wij aan dat de Van Braam Houckgeestkazerne, in combinatie met het onderbrengen van enkele logische elementen elders, een toekomstgerichte oplossing biedt. Met name de financiële onderbouwing die wij, naar aanleiding van de toezeggingen van de minister om dat gezamenlijk te doen, hadden kunnen aanbrengen, blijft nu door het nieuwe standpunt van de minister helaas achterwege.

Wij betreuren dat ten zeerste. Een investering van deze omvang en in deze economisch moeilijke tijd eist een zorgvuldige afweging, waarbij alternatieven op zorgvuldige, gelijkwaardige en transparante wijze worden doorberekend en meegenomen in de uiteindelijke afweging. Ook een externe validatie op de gehanteerde berekeningsmethodiek en behaalde resultaten zou gezien de omvang en complexiteit geen overbodige luxe zijn. 

De marinierskazerne in Doorn is en blijft een wezenlijk onderdeel van de identiteit van onze gemeente Utrechtse Heuvelrug. De rijke historie en grote verbondenheid verdienen een gelijkwaardig onderzoek en weloverwogen keuze. Dat willen en mogen wij eisen omdat de marinierskazerne in Doorn dat verdient en wij overtuigd zijn dat wij hier een betere locatie tegen een betere prijs kunnen bieden.

Hoogachtend

Namens het college van burgemeester en wethouder

van de gemeente Utrechtse Heuvelrug,